.....................................................

Ik ben terug in Amsterdam....... Na een tijdje (vrijwillig) in Westerbork te hebben gezeten, ben ik terug. De reden van mijn terugkomst is de ziekte van mijn vriend en mijn eigen lichamelijke zwakheid.

Ik ben meegegaan naar het arbeidskamp om iets te kunnen zijn voor de anderen die moesten. Ik wilde proberen nog iets voor anderen te zijn. Ik ben dankbaar dat God me niet aan mijn eigen rustige bureau laat zitten, maar me de mogelijkheid en de kracht gaf me midden in het lijden en de zorgen van deze tijd te bevinden. Ik keer zéér binnenkort weer terug naar de heide, naar dat mooie stukje heide dat omgeven is door prikkeldraad..................

8 okt. 1942

Ik werd vanmorgen uitgedroogd wakker. Ik greep naar m’n glas water en was zo dankbaar voor die ene slok fris water. Ik dacht: Kon ik daar alleen maar rondlopen om aan enkelen van die opgestapelde duizenden die het het meest nodig hebben, een slok water te geven.

Ik ben ziek. Ik vind het zó vreselijk dat ik daar niet ben. Dat vind ik veel vreselijker dan dat ik ziek ben.

5 okt. 1942

Ik geef me nu toch maar echt helemaal over. Ik zie me al op die wankelende beentjes gaan, woensdag. Het is echt heel verdrietig. En ik ben zo dankbaar, dat ik hier rustig ziek kan liggen en men mij verzorgt. Ik moet eerst weer helemaal gezond worden, anders ben ik ze daar toch alleen maar tot last. Ik geloof, dat ik toch wel ziek ben, van hoofd tot voeten ziek; geklemd in een harnas van zwakheid en duizeligheid.

 

3 okt. 1942

God, ik wil midden tussen de mensen, midden tussen de angsten zijn. Ik wil zelf alles zien, begrijpen en later kunnen navertellen. Maar God, ik wil ook zo graag gezond zijn. Ik pieker nu te veel over mijn gezondheid en dat is natuurlijk verkeerd. Ik wil je niet dwingen, mijn God, om me in 2 dagen gezond te maken.

Ik ben zo dikwijls een paar dagen ellendig geweest dat ik dacht dat ik er in geen weken bovenop zou komen, maar na een paar dagen was het dan toch over. Maar nu is het anders. Als het enigszins kan wil ik woensdag toch graag gaan. Ik weet het wel: zoals ik nu ben heeft men niet veel aan me.

Ik wil graag weer een beetje gezond zijn. Heus, ik heb maar een beetje nodig, dat is voor mij al genoeg.

Maar God, niet mijn wil, maar Uw wil geschiede.................

30 sept. 1942

Er is veel wat door mij gezegd en neergeschreven zou moeten zijn. Ik zou daar zo langzamerhand mee moeten beginnen.

Ik gebruik zoveel woorden de laatste dagen om mezelf en anderen te overtuigen, dat ik weer terug moet gaan naar Westerbork en dat het niet erg is met mijn maag. Geloven doen ze me niet en ik geloof mezelf eigenlijk ook niet.      

Ik wil woensdag zo graag gaan, al is het maar voor 2 weken. Ik weet dat de risico’s steeds groter worden. Er komt steeds meer SS in het kamp en steeds meer prikkeldraad eromheen. Misschien kunnen we niet eens meer weg uit het kamp.......zoiets is mogelijk.

Ik geef mezelf nog drie dagen om te beslissen of ik ga en dat is voor het meerendeel afhankelijk van mijn lichaam. Geestelijk ben ik vastbesloten om terug te gaan.

27 sept. 1942: Die kleine, roze, gebroken kam..........

Ik heb een kleine, roze, gebroken kam van Spier. Foto’s van hem wil ik niet hebben en zijn naam zal ik waarschijnlijk nooit meer uitspreken. Maar dat kleine, vieze, roze kammetje waarmee ik hem anderhalf jaar lang zijn schaarse haar heb zien kammen is me dierbaar.

 

25 sept. 1942

Er is wel eens een zilvervloot vergaan in de Oceaan. De mensheid heeft steeds maar weer geprobeerd de gezonken schatten uit het water te halen. In mijn hart zijn al zoveel zilvervloten vergaan. Een heel leven lang zal ik proberen iets van die vele schatten, die daar verzonken liggen, aan de oppervlakte te brengen.

Het is goed dat ik hier een paar weken ben gebleven. Ik ga weer hernieuwd en versterkt terug naar Westerbork. Westerbork was mooi. Maar ik ben te kort geschoten, ik heb teveel mijn eigen genoegen nagejaagd. Ik ben er dankbaar voor dat ik het goed kan gaan maken. Ik denk dat ik ernstiger en geconcentreerder terug zal gaan en minder op jacht naar eigen genoegen.

 

24 sept. 1942

Op het Adama v. Scheltemaplein zijn 5 mensen in hun nachthemd en pantoffels in de kou gezet. Er is ook iemand meegenomen die in het laatste stadium van kanker is. Gisteravond is er hier om de hoek een Jood doodgeschoten omdat hij wilde vluchten. Er worden op het moment veel mensen doodgeschoten........

Vanavond kreeg ik opeens veel verdriet om Spier. Ik heb het nog niet zo erg gehad. Ik begin me te realiseren dat als de telefoon gaat het nooit meer zijn stem zal zijn.

Het is zo wonderlijk en zo triest tegelijk hoe die man, die midden in zijn en in mijn leven stond, plotseling met pijnen in zijn bed lag en verkindste.

God, ik vraag me, op een moeilijk moment als vanavond, wel eens af wat je bedoelingen met me zijn.  

22 sept. 1942

Hoe komt het toch, dat dat met prikkeldraad omheinde stukje heidegrond, waar zoveel mensen lijden, als bijna lieflijk in m’n herinnering is achtergebleven? Hoe komt het dat m’n geest daar niet verduisterd maar meer verlicht en verhelderd is? Aan dit bureau heb ik het leven zó lief gehad. In Westerbork tussen de barakken, vol opgejaagde en vervolgde mensen, heb ik de bevestiging gevonden van mijn liefde voor dit leven. Hoe zal ik dat alles toch moeten beschrijven, zonder dat het belachelijk lijkt?  Zo, dat anderen begrijpen hoe mooi, waardig en zelfs rechtvaardig, ja rechtvaardig, het leven toch eigenlijk is. Misschien geeft God me nog eens die paar eenvoudige woorden?

17 sept. 1942

Ik wilde dat ik kon vertellen hoe die twee maanden tussen dat prikkeldraad waren. Ik kan de juiste woorden niet vinden. Die twee maanden waren de intensiefste en rijkste maanden uit mijn leven. Ik heb Westerbork zo liefgekregen en ik heb er heimwee naar. Toen ik daar lag op mijn smalle bed had ik juist heimwee naar het bureau waarachter ik nu zit te schrijven. Ik ben je er dankbaar voor mijn God, dat je mijn leven op iedere plek waar ik ben zo mooi maakt, dat ik er heimwee naar heb als ik er weg ben. Maar het maakt het leven wel zwaar en moeilijk.

Het is half elf, in de barak zou nu het licht uitgaan, ik vind dat ik nu naar bed moet gaan........

Van de dokter moet ik rijst, honing en nog meer van die sprookjesachtige dingen eten. Ik moet opeens denken aan die vrouw met dat sneeuwwitte haar die alleen een pakje kaakjes had voor haar tocht naar Polen. Zij was zo verschrikkelijk lief en rustig. Op een middag zat ik met haar in het gras in de zon en gaf haar een boekje waar ze heel erg gelukkig mee was.

Morgen de begrafenis..............

16 sept 1942..........

Ik ben nog eens naar die straat gegaan, die overbekende straat. Ik ben zo dikwijls naar die straat gegaan, ook met hem..........

Het leven is zo mooi en zinrijk. Jawel mooi en zinrijk, terwijl ik zojuist stond aan het bed van mijn dode vriend, die veel te jong gestorven is en terwijl ik ieder ogenblik gedeporteerd kan worden naar een onbekend gebied. Mijn God, ik ben je zo dankbaar voor alles.

Totdat de dood ons scheidt........

Mijn vriend is dood. Ik ben precies op tijd teruggekomen. Ik heb zijn verdorde, stervende mond nog kunnen kussen. Hij heeft nog één keer mijn hand gepakt en naar zijn lippen gebracht. Ik ben zo dankbaar.............. Dankbaar dat ik hem heb mogen kennen, intiem met hem heb mogen zijn, maar ook dat ik hem heb mogen zien sterven.

Spier, al het slechte en al het goede, wat er in een mens kan zijn, was er in jou. Alle demonen, alle hartstochten, alle mensenliefde, alle goedheid. Ik heb zoveel van je geleerd. Spier, dankjewel voor alles.

Ik had nog nooit een dode gezien. In deze wereld waar er duizenden per dag sterven, had ik nog nooit een dode gezien.

15 sept. 1942: Later op de dag

God, het beste en edelste stuk van mijn vriend is al bij jou. Achtergebleven is een kindse, uitgeteerde grijsaard in die twee kleine kamers waar ik de grootste en diepste vreugden van mijn leven beleefd heb. God, dit is één van de laatste raadsels van het leven.

Het is goed dat ik tijdelijk weer in Amsterdam ben. Ik heb de laatste maanden de voorraad van een héél leven verbruikt. Maar, ik aanvaard alles uit jouw handen mijn God.

 

15 sept. 1942: Terug uit Westerbork............

Ik ben ziek! Mijn lichaam roept: ‘Halt’! Ik ben een aantal dagen in Amsterdam, terug uit Westerbork.

God, pas nu voel ik, hoeveel het is geweest dat je me te dragen hebt gegeven. Zoveel moois en zoveel moeilijks. En het moeilijke veranderde in iets moois, zodra ik me bereid toonde het te dragen. Het mooie en grote was soms nog zwaarder te dragen dan het lijden, omdat het zo overweldigend was. Dat één klein mensenhart zoveel kan beleven. Mijn God, dat je mijn hart daar speciaal voor hebt uitgekozen.